Nieuws

Volgens Hoge Raad zijn latere kwijtscheldingen ook niet aftrekbaar voor artikel 10 SW

Volgens Hoge Raad zijn latere kwijtscheldingen ook niet aftrekbaar voor artikel 10 SW

De moeder van X is in 2010 overleden. Zij had in 2002 een woning aan X overgedragen
onder voorbehoud van een huurrecht. Nu de huur nimmer daadwerkelijk is betaald, is op het huis artikel 10 SW van toepassing.

Thans heeft de Hoge Raad het volgende geoordeeld:

Ook hetgeen later wordt kwijtgescholden op de schuldig gebleven koopprijs is niet aftrekbaar. Nadat de woning in 2002 aan X was overgedragen, had hij nog een schuld aan zijn moeder. Deze schuld is door middel van jaarlijkse schenkingen geheel door moeder kwijtgescholden. Tussen X en de inspecteur is in geschil of deze kwijtscheldingen op grond van artikel 7 SW in mindering komen op de fictieve verkrijging. Volgens de Hoge Raad komt op grond van artikel 7 lid 1 SW de waarde van hetgeen X heeft opgeofferd of van hetgeen door de moeder ten laste van X is bedongen in mindering op de waarde van artikel 10 SW. Tot hetgeen X heeft opgeofferd behoort slechts wat hij werkelijk heeft opgeofferd (TK 31930, nr 3 blz. 39).
Schenkingen die in het verleden hebben plaatsgehad, vallen niet onder de term ‘opgeofferd’

(TK 31930, nr 9 blz. 86). Het Hof heeft geoordeeld dat ter zake van de verkrijging geen
tegenprestatie ten laste is gekomen van het vermogen van X omdat de tegenprestatie geheel is kwijtgescholden. Daarin ligt het oordeel besloten dat X voor de verkrijging van de woning niets heeft opgeofferd. Gelet op het voorgaande geeft dit oordeel geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Opmerking verdient dat hierbij niet ter zake doet of reeds ten tijde van de overdracht van de woning de intentie bestond om tot kwijtschelding over te gaan. Anders dan X stelt is voor het oordeel dat moeder iets ten laste van X heeft bedongen in de zin van artikel 7 lid 1 SW niet voldoende dat moeder bij de levering van de woning een tegenprestatie heeft bedongen.

Uit de wetsgeschiedenis volgt dat de zinsnede “of van hetgeen door de erflater ten laste van de verkrijger werd bedongen” in artikel 7 lid 1 SW is opgenomen om het mogelijk te maken dat de waarde van een doorlopend vruchtgebruik ten bate van de langstlevende ouder op de waarde van de fictieve verkrijging in mindering komt (TK 31930, nr 9 blz. 86).
Hiermee strookt niet de waarde van hetgeen door moeder is bedongen ook op de waarde van de verkrijging in mindering te brengen in een geval als het onderhavige, waarin de verkrijger de koopprijs voor een onroerende zaak aan de erflater schuldig is gebleven en de erflater deze schuld daarna geheel heeft kwijtgescholden. Het is niet relevant of een rechtstreeks verband bestaat tussen de bedongen koopsom en de kwijtscheldingen.
De schuldig gebleven huurtermijnen en de bijgeschreven rente vallen onder artikel 10 SW.

In de onderhavige procedure was tevens in geschil of artikel 10 SW van toepassing is op de (rentedragende) huurschuld die moeder na de overdracht van de woning tot haar overlijden aan X was verschuldigd. In de aangifte voor de erfbelasting zijn de huurschuld en de rente die daarover is bijgeschreven in mindering gebracht op de nalatenschap.

Volgens de Hoge Raad heeft moeder geen rente betaald over de schuldig gebleven huurtermijnen zodat zij hiervan de vruchten kon blijven plukken. Hetzelfde geldt voor de schuldig gebleven rente over de huurschuld. Het daardoor ontstane voordeel heeft moeder verkregen in verband met de huurovereenkomst waarbij zij partij was zodat hierop artikel 10 SW van toepassing is.
HR 10 oktober 2014, nr 13/04777 (HR:2014:2921)


Laatste nieuws

10-11-2017

Trouwen en geregistreerd partnerschap aangaan vanaf 2018

Lees meer

18-10-2017

Pas op voor de misverstanden en valkuilen van de nieuwe gemeenschap van goederen!


Lees meer